Historie

Het Theehuis

De Overtuin kende een drietal bouwsels die onder de noemer prieel of tuinhuis kunnen worden geschaard. Een ervan was een van rijk gedecoreerd zaagwerk voorzien prieel of theehuis aan het bredere deel van de ‘beek’. Het ‘theehuis’-prieel stond bij het breedste deel van de ‘beek’, op de driesprong van de oorspronkelijke paden. De paardenkastanje die bij het theehuis stond is nog altijd aanwezig. Het perk tussen pad en ’beek’ wordt in ere hersteld en beplant met vrolijk gekleurde vaste planten, met een Japanse toets.

Het zaagwerk (als fenomeen) doet denken aan de met rijk snijwerk versierde windveren van boerderijen in de Krimpenerwaard en natuurlijk aan de ‘chaletstijl’. Dit theehuis is in 1987 in stukken gezaagd en als brandhout afgevoerd. De op de foto staande paardenkastanje is nog steeds te vinden, net als de licht verhoogde plek waar voorheen het prieel stond.

 

Naast het meermaals genoemde rustieke stond ook het ‘Zwitsersche’ in de achttiende en negentiende eeuw in de belangstelling, de chaletstijl. De ‘Zwitsersche’ stijl beperkte zich in eerste instantie tot tuin- en dienstgebouwen in de parken van grote buitenplaatsen. Vanaf midden negentiende eeuw is de chaletstijl ook bij kleinere typen buitenhuizen te vinden. En in het laatste kwart van de negentiende eeuw dringt de stijl zelfs door tot herenhuizen in rijbebouwing, denk aan uitvalswegen van steden en grote dorpen. De populariteit heeft alles te maken met de opkomst van de machinale houtbewerking; enkel handmatig zou de toepassing te arbeidsintensief en daarmee te duur zijn.

De Grot

In 1881/1882 komt het bovengenoemde graf met zijn opbouw (baldakijn) tot stand, als grafmonument, als plek van herinnering, ter nagedachtenis aan Johan Jacob. Deze achtergrond van een plek ter herinnering is ook denkbaar voor het naastgelegen eiland, met de kunstmatige grot en het daarop staande prieel. In een muur van de tegenwoordige grotruïne zijn nog steeds de letters ‘M.B.v.V.’ te vinden. Zonder twijfel een verwijzing naar Marcellus Bisdom van Vliet. Mogelijk als opdrachtgever voor de bouw, maar misschien meer waarschijnlijk ter nagedachtenis aan hem. Mogelijk dat Paulina Maria in de jaren 80 of 90 van de negentiende eeuw dit eiland heeft laten aanleggen en de grot en het prieel heeft laten optrekken.

De beek op het eerdere tuinontwerp had al een slinger naar het oosten. Met een westelijke, een tweede, slinger zou een eiland eenvoudig te realiseren zijn. In dit scenario zou het bovenbeschreven tuinontwerp in de laatste levensjaren van Marcellus kunnen zijn uitgevoerd (net als de bouw van onder andere het nieuwe hoofdhuis) en zou onder Paulina Maria de invulling van eiland met grot en prieel tot stand kunnen zijn gekomen. Het graf is met zekerheid in 1881/1882 gerealiseerd en de grot is met zekerheid voor 1896 tot stand gekomen. In 1896 schrijft een zekere De Veer namelijk over een studiereisje waarbij ook de Overtuin Bisdom van Vliet wordt aangedaan: Van Zwolle gingen wij naar Gouda… Eerst bezochten we het buiten van mevrouw de wed. Le Fevre de Montigny, te Haastrecht, een klein uurtje van het station Gouda gelegen. Zelden zag ik zoo’n netjes aangelegd buitenverblijf. Het is niet bijzonder groot, doch in een woord keurig onderhouden. Een mooie vijver, die zich in talrijke kleine stroompjes verdeeld, loopt door de plaats heen en langs de boorden liggen fraaie heestergroepen en verheffen zich hier en daar zware, alleenstaande boomen. Wij zagen er o.m. een mooi exemplaar van de Ailanthus glandulosa (hemelboom), een buitengewoon fraai type van de gewone wilde kastanje en prachtige bruine beuken, terwijl achter in den tuin een kunstig vervaardigde grot, den bekwaamen tuinbaas alle eer aan deed. Wij bezichtigden verder ook de bij het buiten behoorende hofstede, de stallen, het koetshuis etc., Alles droeg den stempel van netheid, van goede verzorging. Tegen twaalf uur sloegen wij weder den weg naar Gouda in…[1]

De bovenstaande beschrijving schets niet alleen een beeld van wat te vinden was, maar geeft ook de parkachtige sfeer voor dit deel van de Overtuin weer. Als het ware een bevestiging van de al genoemde driedeling van de Overtuin, van noord naar zuid: tuin, park, bos.

Het Water

Het water met vijvers, beek en slinger is een van de belangrijkste structuurdragers van de Overtuin. Deze structuur wordt gehandhaafd en bijgeschaafd. In de vijver staan witte en roze waterlelies.

In de Overtuin zijn meerdere bruggen, geen hiervan is in een stijl als van de voorheen aanwezige bruggen en op een tweetal, mogelijk drietal punten is zelfs geen brug meer aanwezig: naar het eiland en ‘aan de kop’ van de Middenlaan ontbreken ze nu. En zo die heeft bestaan, aan het zuidelijke eind van de lijnbaan/Notenlaan.

In het verlengde van de jardinières, de grote bloembak met een bedboordsel van lavasteen, en grot en prieel in rustieke stijl zou men haast een of meerdere rustieke bruggen met cementen-imitatieboomstammen-brugleuningen verwachten. Bruggen in deze vorm zijn er niet geweest, wel waren er andere bruggetjes. Van hout, met als brugleuning lage houten paaltjes waartussen een ijzeren ketting hing, met aan de rand van de onderzijde van het brugdek gezaagde versieringen (als een windveer). Gezaagde versieringen zoals ook bekend van een niet meer bestaand prieel in de Overtuin.

Bruggen waren voor de opkomst van de romantiek en invloeden uit het verre oosten overwegend functioneel, bedoeld ter overbrugging van water. Daarna gingen ook aspecten als sier, uitzichtpunt en blikvanger een rol spelen. Al deze aspecten zijn bij de bruggen in de Overtuin ook te onderkennen: de overbrugging van water, blikvangers vanaf verder weg gelegen punten, uitzicht vanaf de bruggen, en sierdelen aan de bruggen.

Een buitengewoon rijkversierde brug was die aan de westzijde van de vijver. In 1947 kende de brug nog steeds de rijke versiering, maar een foto uit 1983 laat zien dat de brug nadien vervangen was en toen ook al weer in ruïneuze staat verkeerde.

Over de watergang ten zuiden van de vijver, de voormalige Kromme Vijver, of te wel ‘aan de kop’ van de Middenlaan lag een iets bollopende brug ter breedte van de Middenlaan. Deze brug was breder dan de andere bruggen aangezien deze brug niet alleen voor wandelaars bedoeld was, maar ook door wagens, machines e.d. werd gebruikt. Op deze locatie ligt geen brug meer; de watergang is op deze hoogte en in oostelijke richting dichtgegooid (met de bouw van de Liezeborgh?).

Bisdom van Vliet

Het museum/huis Bisdom van Vliet en de Overtuin zijn cultuurhistorisch, functioneel en
recreatief als eenheid van belang voor Haastrecht. De Overtuin is ten tijde van de familie Bisdom van Vliet in de zeventiende eeuw ontstaan. Paulina Bisdom Van Vliet (1840-1923), laatste telg van de oude regentenfamilie heeft de Overtuin meer vorm gegeven.

Door de eeuwen heen heeft de familie Bisdom, later Bisdom van Vliet, een groot vermogen en vele bezittingen verworven. Deels door ‘verstandige’ huwelijken en deels door inkomsten uit handel, investeringen en ambtelijke, bestuurlijke en politieke functies. De familie had niet alleen bezittingen in Haastrecht en Vliet, maar verspreid over heel Zuid- en Noord-Holland. Van 1755 tot 1880 was de familie ook eigenaar van de heerlijkheid Vliet. Het is Paulina Maria die in 1880 de heerlijkheid en de erbij horende rechten verkoopt.

De bezittingen, publieke functies, heerlijke rechten e.d. maken dat de familie naast directe ook veel indirecte invloed kan uitoefenen. Ze zijn niet alleen opdrachtgevers, maar hebben ook allerlei rechten, pachten en functies te vergeven.

Het navolgende concentreert zich op de bezitsontwikkeling van de Bisdoms in het Haastrechtse, binnen de steede Haestregt en direct tegen de westelijke stadsgrens. Of anders gezegd, tussen de IJssel in het noorden, de Korte Tiendweg in het zuiden, de Grote Haven/Bredeweg in het oosten en de westelijke grens van de latere Overtuin in het westen. Deze bezitsontwikkeling vormt in zekere zin de basis voor de mogelijkheden voor en de ontwikkeling van de tuinen en het park.

Het kadastraal minuutplan (KM) van Haastrecht uit 1828 en de bijbehorende oorspronkelijke aanwijzende tafels (OAT) brengen onder andere de percelen en hun eigenaren in beeld. De opeenvolgende eigenaren en eventuele aan- en verkopen zijn via de latere kadastrale registraties ook te achterhalen.

Veel lastiger is het in kaart brengen van bezittingen van voor de kadastrale vastlegging. Hier moet met bv transportakten gewerkt worden. In deze akten is de perceelgrootte soms vastgelegd, in morgen, roeden en/of hond. De begrenzingen worden echter niet als bij het kadaster in kaart met perceelnummers weergegeven, maar zijn beschrijvend. Beschrijvingen waarin de namen van de eigenaren van belende percelen worden genoemd of, daar waar van toepassing, een topografisch gegeven als bv de Hoogstraat, Liezeweg of IJssel. Het navolgende is een voorbeeld van zo’n beschrijving: een huijsinge aende noordsijde van de hoogstraat, strekkende van de halve straet tot inde diepte van den ijsel toe, belent ten oosten aaen Jansz blommendael, ende ten westen adrijana teckop.

Bedenk verder dat er ook beschrijvingen met vier buren zijn, dus zonder een straatnaam of ander topografisch gegeven. Het moge duidelijk zijn hoe moeilijk het kan zijn om zo’n huis of perceel te lokaliseren. Je moet dan bijna akten van alle aankopen in het Haastrechtse over een periode doorlopen en namen van perceeleigenaren en hun buren vergaren om vervolgens de percelen ten opzichte van elkaar in kaart te brengen.  Het veel latere kadastraal minuutplan met percelen brengt de bezittingen van de eventuele latere nazaten in beeld. Soms past de beschrijving van een prekadastraal perceel bij een vererfd perceel op dat latere minuutplan en is het gelokaliseerd. Deze route is ook bij meerdere Bisdombezittingen gevolgd. (Een kaart met een overzicht van de aankopen door de verschillende Bisdoms staat aan het eind van dit hoofdstuk, onder Resumé.)

Het Graf

Op 21 september 1881 overlijdt Johan Jacob Le Fèvre de Montigny, de man van Paulina Maria. Op 26 september wordt hij begraven op de Algemene Begraafplaats te Haastrecht, maar na toestemming van de gemeenteraad wordt hij op 5 oktober herbegraven in de Overtuin. Aldaar komt in 1881/1882 het grafmonument met baldakijn tot stand (rijksmonumentnummer 512498). Paulina Maria sterft meer dan 40 jaar later op 1 juni 1923 en wordt op 6 juni naast Johan Jacob begraven.

Tussendoor, in 1906, krijgt de dode hond Nora er tegenover (nu als het ware liggend aan de voeten van mevrouw) een eigen graf (rijksmonumentnummer 512499).

Midden jaren 80 van de vorige eeuw blijkt dat graf en baldakijn in een slechte staat verkeren. Sinds 1969 is de gemeente Haastrecht eigenaar van de Overtuin, dus moet zij ook zorgdragen voor het graf, maar geld is er niet. Uiteindelijk gaat de Stichting Bisdom van Vliet akkoord met verwijdering van de baldakijn en plaatsing van hoog (Heras) hekwerk als maatregel tegen vandalisme (en neemt zij 50% van de kosten voor zijn rekening).

Ook de dode paarden van Paulina Maria worden in de Overtuin begraven; de exacte locatie is nu niet meer bekend.

Op de bovenstaande foto loopt een gebogen pad direct langs het graf, met een nier- of hartvormig perk ervoor. Naast het graf stonden bij de staanders van het baldakijn zuilvormige taxussen en een groenblijvende heester, mogelijk hulst, bevond zich achter het graf. Op de navolgende,  latere foto komt een vaas op sokkel voor. Deze combinatie lijkt die eerder voor in de Overtuin in een bloemperk stond, te zijn.

Goed 15 jaar later heeft men toch andere inzichten. De Stichting neemt initiatief om de grafmonumenten te restaureren en terug te brengen in de oude staat. In de periode 2004-2006 worden de plannen opgesteld en uitgevoerd. Tussen de staanders van de baldakijn worden, om betreding van het graf en vandalisme te voorkomen, opnieuw, maar nu hogere hekwerken opgenomen.